Jacob van Lennep: De zomer van 1823

17

Met een ransel aan de wandel, over onverharde wegen met weidse vergezichten. De zon scheen altijd en op elke hoek stond een mooi landhuis met een enorme tuin of zo’n witgepleisterd boerderijtje met strooien dak en kleurige luiken.

Zo zag ik de voettocht van Jacob van Lennep door Nederland voor me toen ik in 1982 zijn reisverslag las tijdens mijn studie Nederlandse Literatuur. Destijds heette het nog ‘Nederland in den goeden ouden tijd’ en kon ik er met veel moeite een antiquarisch exemplaar van op de kop tikken. Het taalgebruik van M. Elisabeth Kluit, die deze editie in 1942 had verzorgd, was al even archaïsch als de titel suggereert.

Met een ransel aan de wandel, over onverharde wegen met weidse vergezichten

Ondanks het wat stroeve taalgebruik smulde ik van het reisverslag en had ik de beelden van onverharde wegen en witgepleisterde boerderijtjes op mijn netvlies toen ik later zelf ging wandelen op het Pieterpad. Dat was misschien hopeloos romantisch, maar paste ook prachtig bij de tijd waarin dit boek speelt: in de eerste helft van de 19e eeuw. De tijd van de Romantiek.

Erg blij was ik met de nieuwste editie van Van Lenneps verslag van zijn voetreis (2018). Het boek heet nu weer gewoon ‘De zomer van 1823’, zoals het verslag ooit bedoeld was, en is door Geert Mak en Marita Mathijsen hertaald in modern Nederlands.

Het verhaal

Dit is het verhaal: twee Leidse studenten maken een ruim drie maanden durende voetreis door Nederland. Best bijzonder, in die tijd maakten jonge mannen van stand doorgaans een ‘grand tour’ door Europa. Maar Jacob van Lennep en zijn vriend Dirk van Hogendorp wilden juist hun eigen land leren kennen.

Het is 1823, de Slag bij Waterloo en het Congres van Wenen liggen acht jaar achter hen en Nederland is voor het eerst in de geschiedenis een koninkrijk geworden. Het land is op dat moment nog deels een wildernis (zoals het Drentse hoogveen, de Veluwse heide en de woestenijen van de Peel). Maar tien jaar na de voetreis begint Nederland zich onder leiding van koning Willem I te ontwikkelen tot een voor die tijd modern land, met verharde wegen en kanalen, vijf jaar later de eerste spoorlijn en nog eens tien jaar later een op stoommachines werkende industrie.

Juist dat maakt het boek van Van Lennep zo interessant: hij beschrijft (met de nodige humor) het landelijke Nederland dat al snel zou verdwijnen en waar je als romanticus soms nog naar kan terugverlangen. Met veel plezier las ik het reisverslag nu voor het eerst in modern Nederlands.

Het ‘Jacob van Lennep’ gevoel

Ik griezelde met de voetreizigers mee van de vaak primitieve herbergen waar bedvlooien en drinkebroers hen uit de slaap hielden en waar de heren soms als ontbijt niet meer dan een glas melk kregen. Ik was opgetogen toen Van Lennep beschreef hoe mooi hij Urk zag liggen toen hij er vanaf de Zuiderzee naar toe voer. Zo zie ik zelf het voormalige eiland ook liggen als ik op de brug over het Ketelmeer rijd. Ook herkenbaar is het verslag van het bezoek aan de kolonies van de Maatschappij van Weldadigheid in Frederiksoord en omstreken. De zogenaamde ‘paupers’ wonen hier al lang niet meer, maar de sfeer van toen is nog moeiteloos terug te vinden.

Tijdens het lezen zocht ik geregeld op of de bezochte logementen nog steeds bestaan. Vaak niet, maar geregeld nog wel. Zoals de Wijnberg in Bolsward en de Posthoorn in Dokkum. Ook herkenbaar is het Rijsterbos in Gaasterland, waar je nog altijd kunt wandelen over het Freulepaadsje. De Veluwezoom, het Planetarium in Franeker, het is er allemaal nog en je vindt er zonder moeite die sfeer terug van ‘Nederland in den goeden ouden tijd’. Hoe stads en ontwikkeld ons land ook mag zijn, ben ik aan de wandel (waar dan ook in Nederland) dan bekruipt mij geregeld nog dat ‘Jacob van Lennep’ gevoel. Als ik over een zandweg loop, langs zo’n historisch boerderijtje of zo’n oud landhuis met een statige tuin. Van dat Nederland krijg ik nooit genoeg.

Tineke Zwijgers